Pril voorjaar. Iedereen wordt door de zon naar buiten gelokt. Krolse poezen houden ons al weken uit de slaap, een zwerm mussen bevolkt onder onophoudelijk gekwetter de torenhoge bamboe in onze tuin, en voortdurend horen we gekrijs van kibbelende buurtkinderen die een wedstrijdje fietsbel rinkelen houden.
Skip komt telkens naar me toe om te vragen of ik naar buiten kom. Er valt zoveel te beleven. Druk pendelt hij de trapjes op en af om te waarschuwen dat er buiten iets aan de hand is. Ja, ik weet dat de buurkat op jonge merels loert, en ook dat die kinderen veel te hard gillen, maar dat doen kinderen nu eenmaal. We wennen vanzelf weer aan het lawaai.
Al dat op en neer geren en de geboden waakzaamheid hebben Skip oververhit. Hij graaft een ondiepe kuil pal onder de bamboe. Zijn
incasseringsvermogen is genoeg getergd. Hij is moe en ik besluit om kort op een
beschut plekje van het zonnetje te genieten totdat hij in slaap valt. Ik dommel
ook in. Na een ongestoorde siësta zien we er beiden potsierlijk uit: ik heb een
iets te rood bolletje gekregen en Skip ligt bedolven onder de mussenpoepjes
die eruit zien als witte chocolade hagelslag.
uit de bundel: Kluifjes door Cela den Biesen (2012)