Op de
bonnefooi naar de heide. We vertrokken met zon. Doodse stilte en geen kip te
zien onderweg. Inenen komt een spookachtige ijzige wind opzetten. Ik ril onder
mijn opbollend zomers katoentje. Bomen zwenken en zwaaien. Opgerakeld blad tolt
om de eigen as. Skips haren worden gladgestreken door de straffe wind. Vanuit
het zuidelijk luchtruim vloeien violet en inktblauw naar ons toe als uit een
omgestoten verfblik. Overvallen door onheilspellend donker in een grote leegte.
Hoe nietig is de mens.
De
uitbuikwandeling wordt een vluggertje. Skip die intens geniet van de acute
temperatuurdaling moeten we teleurstellen. De spatten die ons bereiken worden
talrijker. Tijdelijk beschutting zoeken onder de luifel van een wilde appel zou
een slechte keus zijn. We zetten flink de pas erin. Voor de afwisseling blijft
Skip tussen ons in lopen. Hij berekent vast zijn kansen. Welke route is het
veiligst: langs de bosrand met de metalen afrastering, de open vlakte of via
die eenzame boom?* Als een losgeslagen meute honden bereiken we met de hakken
over de sloot de auto die ons moet beschermen tegen dodelijke blikseminslagen.