De pootjes van mijn
computerbril zijn uitgelodderd. Twee uur voor sluitingstijd en het is al
schemerig. Op naar de opticien om de boel strak te laten trekken. Skip heeft
geen boodschap aan shoppen in de binnenstad. Ik zal op de solotoer moeten.
Kortzichtig van ‘m, want het is onverantwoord om mij alleen op pad te laten gaan.
Aangeraakt worden
door de tijd is lastig. Grijze haren krijg je ervan en steeds slechtere ogen.
Voor het eerste helpt een likje verf, het tweede is onomkeerbaar en het blijft
behelpen. Daarom winkel ik zoveel mogelijk op internet, waarvoor één leesbril
volstaat.
Ik rij met mijn velo
richting centrum vergezeld van vier brillen: eentje voor veraf op mijn neus,
eentje voor dichtbij bovenop mijn hoofd om prijskaartjes en labeltjes te kunnen
lezen, een middenmoter aan een koordje om mijn hals om rond te neuzen in
winkels (die ik tevens thuis gebruik voor het strijken en tijdens het
kokkerellen), én de computerbril in een doosje in mijn jaszak.
Het treft dat de brillenzaak op de kop van de koopgoot zit. Het was er tjokvol met klandizie. Ik keek wat rond. Tijdens het bril verwisselen, moeten de ogen steeds wennen aan de diverse sterktes. Zo kon het gebeuren dat het me duizelde, ik de aangeboden stoel misgreep, achterover viel en tussen een van de detectiepoortjes belandde. De geschrokken verkoopster schoot te hulp, ik schoot in de lach. Bijkomend voordeel: ik werd meteen geholpen. Thuis zag ik pas dat ik een van mijn brillen daar had laten liggen. Er zat niets anders op dan terug te gaan. Dit keer voor de veiligheid met mijn blindengeleidehond.
uit de bundel Bezige Bu (2015)